Stel: je doet je zegje bij een debatavond. Je maakt je zorgen kenbaar over de hoeveelheid zout of suiker in ons voedsel bijvoorbeeld, of over ex-partners die zich niets aantrekken van omgangsregelingen, of over meer groen in de stad. En een andere genodigde – iemand met verstand van zaken of een tikje invloedrijk – meldt dan: “U heeft een punt, maar ik heb het liever over de echte problemen in onze samenleving. Die moeten we aanpakken.” Daarmee kun je je toch aardig afgeserveerd voelen. Want je krijgt vrij duidelijk de boodschap dat jouw zorg daar niet onder valt, de echte problemen. Ga je nog even verder met jouw zorg uiteen te zetten, dan riskeer je jezelf af te schilderen als iemand die zich druk maakt om een miezerdingetje.
Natuurlijk doe ik dat ook, doen we ‘t allemaal: beweren dat jij weet wat er echt aan de hand is, waar het werkelijk om draait, beweren dat je eigen ding interessanter, beter, mooier is. Maar hier is meer aan de hand. Namelijk een dingetje uit de oude doos: degene met macht, verstand van zaken of invloed bepaalt de taal, de woorden. Die heeft de touwtjes in handen en kan benoemen wat groot en belangrijk is. Die kan echte problemen benoemen.
